Natuurlijk heeft u gelijk. Over een verdronken peuter en een beetje Lesley-Ann Poppe

Natuurlijk was het lang niet de eerste keer dat een kind verdronk op de Middellandse Zee. We moeten amper moeite doen om foto’s te vinden van aangespoelde lijkjes, en we mogen er zeker van zijn dat er nog veel meer zullen volgen. In Syrië sterven elke dag kinderen onder de handen van een hufter als Assad – en wat is er ook niet aan van het verhaal dat die andere hufters, IS, christelijke kinderen onthoofd hebben? En wat dan met die kinderen die in Nigeria door nog andere hufters vermoord of als zelfmoordenaars het land ingestuurd worden? En dan zijn er nog die bootvluchtelingen die deze week nog verdronken ergens tussen Indonesië en Maleisië. Niet dat we aan moreel opbod willen doen, maar we weten toch dat dat ene kind helemaal niet zo uniek was als we wel willen geloven.

Natuurlijk sterven er hier ook kinderen, in het verkeer bijvoorbeeld, zoals laatst dat driejarig meisje dat samen met haar moeder door een dronken chauffeur van de baan gemaaid werd. Dat is ook een kind, en misschien moesten we daar maar eens foto’s van tonen, om te laten zien welk een hufters we zelf wel niet kunnen zijn wanneer we drinken (eentje maar) en toch rijden. Waarom zouden we meer geven om dat ene kind daar in een Turkse branding, dan al diegenen die hier sterven?

Natuurlijk misbruiken de media de foto’s als klikaas en gingen er nog geen 24 uur voorbij voor we het hele verhaal van naaldje tot draadje uit de doeken gedaan werd, met naar-de-keel-grijpende foto’s van een lachende peuter op een glijbaan, met een voetbal, met een grote knuffelbeer, of met pakkende getuigenissen van de vader en andere familieleden. Zij leveren de tranen die wij gretig consumeren. En de krokodillentranen van onze politici doen wrang aan, met hun politieke onwil of hun harde ‘parler-vrai’ dat hen door spindoctors wordt aangeraden. En wat dan met onze gemolken tranen? Want, al die mensen die nu zo aangedaan zijn, geef toe: meer dan de helft daarvan wil zich enkel betrokken tonen op sociale media. Dat publieke rouwen past ons als gegoten, navelstarende narcisten die we zijn.

Natuurlijk misbruiken humanitaire organisaties die foto’s als een pervers drukkingsmiddel om op ons gemoed te spelen. En die vluchtelingen zelf, die weten ook verdomd goed dat ze hun kinderen op de voorgrond moeten duwen als er camera’s in de buurt zijn. Kinderleed verkoopt, nietwaar, maar net al die emoties verhinderen ons helder te zien in wat we in de eerste plaats toch rationeel en pragmatisch zouden moeten benaderen. Dat moeten we toch wel erkennen, of niet soms?

En natuurlijk moeten landen als Hongarije meer doen en kunnen ze zich niet verstoppen achter een verondersteld louter Duits probleem. De Europese solidariteit zou ook moeten werken wanneer er klappen vallen. En die stinkend rijke Golfstaten die anders met hun geld geen blijf weten, waarom vangen die in Allah’s of Marx’ naam niet meer vluchtelingen op?

Natuurlijk heeft u gelijk.

Maar toch. Wanneer we een verdronken peuter wegredeneren, rationaliseren, moeten we dringend naar ons hoofd laten kijken. Dat kind is meer dan een zoveelste slachtoffer in een humanitaire crisis –  het is een icoon geworden van ons collectief falen als Mens dat we niet meer kunnen wegstoppen achter grijze bureaucratische overwegingen of plastic verdriet. Dit is misschien het moment waarop we ‘Nee’ moeten zeggen, dat ons geweten finaal opspeelt.

Dat zou je toch verwachten, denk ik dan.

Ondertussen meldt Lesley-Ann Poppe ons op Twitter dat ze goed aangekomen is in Bodrum. Wie weet gaat ze wel een kleurtje opdoen aan het strand waar die peuter aanspoelde. Of ze laat zich in ondergoed fotograferen tussen de net gelande rubberbootjes voor haar narcistische #DailyLifeInUnderwear-zelfpromotie.

Want het leven, dat gaat door, met of zonder dode peuters.

Advertenties

Cartoonesk geweld. Over het lijden van kinderen

Of de wereld nu echt om gerechtigheid schreeuwde, zoals Het Laatste Nieuws kopte, wil ik nog in het midden laten, maar de ‘grote verontwaardiging’ van De Morgen voelde ik zeker ook. Wat was er gebeurd? In Izmir had een restaurantuitbater een kind, een Syrische vluchteling, klappen verkocht toen die buiten zijn zaak zakdoekjes verkocht.

Van het incident waren verschillende foto’s gemaakt, maar het was één in het bijzonder die me naar de keel greep. Het was die foto waarin het kind, zijn petje wat scheef op zijn hoofd, huilend in zijn linkeroog wrijft, terwijl er wat bloed uit zijn neus loopt. In zijn andere hand heeft hij een plastic tasje en een pakje zakdoeken, het soort dat je hier in elke supermarkt kan krijgen.

Aanvankelijk wist ik niet meteen waarom het precies dat beeld was, maar dan realiseerde ik me dat ik precies hetzelfde gevoel had gehad toen ik andere foto’s van soortgelijke incidenten, waarin kinderen betrokken waren, had gezien: de Oekraïense (of was het Russische) hufter die na het neerhalen van MH17 dat pluchen aapje omhoog hield, het drijvende kinderlijkje in de Middellandse Zee of die Australische hufter (een andere nu, lid van Daesh) die zijn zoontje een afgehakt hoofd liet optillen. Het Syrische jongetje droeg een Tom & Jerry t-shirt – en eerder was het een stuk speelgoed, een kleedje in vrolijke kleurtjes of een petje en een kinderhorloge.

Het deed me aan Albert Camus denken.

Eén van de krachtigste scènes in diens ‘La Peste’ is de dood van het zoontje van rechter Othon. De lange doodsstrijd van het kind, waarvan Rieux en Tarrou getuige zijn, is een krachtig beeld van het lijden van onschuldigen en onze onmacht om in te grijpen:

Ils avaient déjà vu mourir des enfants puisque la terreur, depuis des mois, ne choisissait pas, mais ils n’avaient jamais encore suivi leurs souffrances minute après minute, comme ils le faisaient depuis le matin. Et, bien entendu, la douleur infligée à ces innocents n’avait jamais cessé de leur paraître ce qu’elle était en vérité, c’est-à-dire un scandale. Mais jusque-là du moins, ils se scandalisaient abstraitement, en quelque sorte, parce qu’ils n’avaient jamais regardé en face, si longuement, l’agonie d’un innocent.

Het t-shirt van het Syrische jongetje en de andere details vervullen precies dezelfde functie – de lange doodsstrijd van dat ene kind gebald in een t-shirt. Het zijn details die de horror concreet maken, die hem in ons gezicht als (in het beste geval) betrokken toeschouwer spuwen. Het is de confrontatie tussen die symbolen van kinderlijke onschuld (speelgoed, kleurtjes, tekenfilmfiguurtjes), die we ook bij onze eigen kinderen herkennen, en het brute geweld van onze volwassen wereld, dat dergelijke beelden zo krachtig maakt; ze laat niet toe weg te kijken, net omdat daar onze aandacht blijft hangen.

Het is in deze details dat onze gruwel als mens absurd wordt.

De illusies die je als jonge vader wel eens durft te hebben

Telefoon op weg naar kantoor: de zieke dochter is blijkbaar ontroostbaar omdat bij het opstaan vader en broer al vertrokken waren naar de hersen- resp. kinderfabriek. In de achtergrond klinkt een vreselijk gehuil en, nee, ze wil niet aan de telefoon komen.

Als u goed luisterde, kon u een vaderhart horen breken.

Nog geen vijf minuten later komt de correctie: de bron van alle verdriet was een (tweede) tut die dochterlief zag liggen, maar niet kon krijgen.

Als u goed luisterde, kon u een illusie horen breken.

Weg met het kiesvee! Over Marx, elitarisme en de instorting van het Vlaams Belang

Het is vreemd om in de nasleep van de moeder aller verkiezeingen vast te stellen hoe we bijna vijfentwintig jaar hebben gehoopt en gebeden (voor zij die het doen) dat het Vlaams Belang zou instorten, en dat we ons nu pas realiseren dat de kiezers niet zomaar in lucht zouden opgaan. Nu blijkt immers dat ongeveer een kwart van de nieuwe N-VA kiezers uit de voorheen erg trouwe achterban van het Vlaams Belang zou komen.

Voor wie de partij van Bart De Wever geen warm hart toedraagt, is het ‘gefundenes fressen’, en voor de anderen is het toch onrustwekkend. De schijn wordt namelijk gewekt dat de grootste partij van Vlaanderen nu een veilige thuishaven is geworden voor stompzinnig racisme of, meer nog, dat ze dan wel zelf altijd al racistisch moet geweest zijn, omdat ze anders bij ‘die mensen’ nooit zo populair zou geworden zijn. Het is een interpretatie die in diverse varianten in de media gepropageerd wordt en die in vele analyses doorschemert.

Het is duidelijk dat dit een gegeven is waarmee de N-VA omzichtig mee zal moeten omgaan. Het is nu al moeilijk genoeg om de eigen achterban in toom te houden, zoals het cyaankali-incident aantoonde, maar er schort iets aan dit beeld.

Denken we even dieper na, dan is de kern van deze analyse dat er een soort Vlaamse onderlaag bestaat bij de kiezers, navelstaarderig, enggeestig en racistisch, die je als partij maar beter niet onder je achterban kan rekenen. Die onderlaag is blijkbaar inert en niet in staat om zelf een keuze te maken: ze laat zich misleiden door volksmenners – Dewinter toen, De Wever nu – en weet duidelijk niet waar haar belangen liggen. Omgekeerd voelen deze tribunen niet te beroerd om diep in die onderstroom te waden om het ongenoegen te kanaliseren naar duidelijke verkiezingswinsten. Het probleem is dus niet verdwenen: het is enkel verschoven, samen met het kiesvee gemigreerd naar nieuwe graaslanden.

Blijkbaar hebben we ons al die jaren van vijand vergist. Het was ons niet om de partij te doen, maar om de sociale onderklasse die ze vertegenwoordigde, de klasse die van het stompzinnige racisme van Dewinter naar het fermettenationalisme van De Wever is overgelopen. Mogelijk hebben we onze aversie voor het Vlaams Belang overgedragen op zijn kiezers, maar misschien hebben zelfs nooit om het Vlaams Belang gegeven en was het steeds die gepercipieerde Jan Modaal, dat klootjesvolk, waartegen we onze elitaire afkeer gericht hebben. Het zou in elk geval veel verklaren.

Het is inderdaad een confronterende vaststelling dat ons antiracisme een elitaire strijd is tegen wie niet aan onze welopgevoede en hoogopgeleide normen voldoet, een ‘Kulturkampf’ tegen een veronderstelde onderklasse. Wie niet in de pas loopt of wie onze Gramsciaanse hegemonie niet onderschrijft, hoort er niet bij. Zijn opvattingen, ideeën en keuzes dienen verketterd te worden; de partijen die hem vertegenwoordigen, spuwen we uit. Populisten noemen we hen, maar we zijn vooral kwaad op het domme volkje dat zich laat misleiden.

En zo komt het dat de lang verhoopte instorting van het Vlaams Belang niet tot de verwachte vreugdevuren heeft geleid, integendeel, omdat die partij op zich nooit het probleem is geweest. Het was de kiezer, die zich in onze massademocratie zo makkelijk laat misleiden en de consensus niet wil respecteren. Dat deed hij toen hij lang geleden socialistisch stemde, dat doet hij nu nog steeds – en dat zal hij blijven doen, zolang er een zelfverklaarde elite en een veronderstelde onderklasse is.

Het marxisme had het dus misschien niet helemaal bij het verkeerde eind.

Persoonsongeval

Ik had net naar huis gebeld om te zeggen dat ik iets later zou zijn, omdat ik nog even mijn fiets moest gaan ophalen en langs de apotheker wilde om dat medicijn voor mijn dochter op te halen. De trein had nog geen tien minuten voordien het station verlaten en na dat telefoontje had ik gewoon opnieuw mijn boek opengeslagen, zoals altijd.

De trein schokt even en we horen een metaalachtig geluid: er klettert iets tegen de onderzijde van de wagon. Enkele honderden meters verder komen we tot stilstand. Niemand die dan vermoedt wat er gebeurd is. We wachten tot de trein opnieuw zal vertrekken, maar na enkele minuten is er enkel een korte aankondiging van de conducteur. ‘Een persoonsongeval’, zegt hij.

Dan volgt dat vreemde besef: je hebt niets gezien, amper iets gehoord of gevoeld, maar weet dat de trein waarop je zit net iemand overhoop heeft gereden. Het blijft lang vreemd stil in de wagon.

En plots lach je met heel de coupé mee wanneer dat meisje met de hoofddoek over de telefoon zegt dat ze thuis moeten wachten met de taart. ‘Maar het is mijn mama haar verjaardag vandaag!’, verdedigt ze zich.

We hadden om alles gelachen, denk ik.

Alles moet neo. Over het doctoraat van Bert Anciaux

Bert Anciaux heeft een doctoraat gehaald in de agogiek. Dat zou kunnen uitnodigen tot allerhande laag-bij-de-grondse uithalen, maar laten we het er enkel bij houden dat het toch wel een opvallende trend wordt dat uitgerangeerde politici zich op de wetenschap gooien.

Nu, wat wel opviel in de berichtgeving  over ’s mans nieuwe  academische carrière, was de kop waarmee De Morgen uitpakte: “Vlaamse houding tegenover islam is neoracistisch”. Misschien is het de journalist die een citaat uit context haalde op zoek naar die ene klik extra, maar verder in het artikel komt Anciaux zelf aan het woord:

Verschillende experts noemen [de afkeer van ‘blanken’ tegenover organisaties rond de islam] een vorm van neoracisme of zelfs neofacisme [sic]”, weet Anciaux. “Dat laatste is een zware term die ik niet zou gebruiken, maar neoracisme of neonationalisme onderschrijf ik wel.

Ik heb het proefschrift niet gelezen en waarschijnlijk zijn er goede redenen om specifiek voor die woorden te kiezen, maar wat moeten we met neoracisme, neofascisme en neonationalisme? Wat verantwoordt de wildgroei van dat prefix ‘neo’? Wat onderscheidt het ene van het andere? Denkt een neoracist anders over de islam dan een ordinaire racist?

Mij lijkt het eerder dat die neo’s een vorm van lui denken verbergen, begraven onder een schijn van wetenschappelijkheid en getheoretiseer. Racisme, nationalisme en fascisme zijn beladen begrippen, scheldwoorden die dermate gedevalueerd zijn dat ze nauwelijks voor wetenschappelijke doeleinden gebruikt kunnen worden. Wie zichzelf serieus neemt als intellectueel, of althans die schijn wil wekken, kan zich niet meer behelpen met dergelijke ordinaire begrippen. Met een prefix als ‘neo-‘ daarentegen, wordt de indruk gewekt dat er meer aan de hand is, iets – nou ja – nieuws, dat enige toelichting en getheoretiseer vereist.

‘Neo’ vermijdt ook de noodzaak tot beargumenteren. Noem je een fenomeen fascistisch, dan begeef je je op glad ijs en moet je nauwgezet beargumenteren waarom je dat doet. Je moet ook aangeven dat je op de hoogte bent van de schier eindeloze literatuur over wat nu al dan niet fascistisch is. Dat is erg vermoeiend allemaal, maar met dat korte prefix omzeil je die noodzaak. Het lijkt erop, maar het is iets nieuws, iets net anders, en dus niet beladen met die erfzonde waar je mee moet leven, die je moet verklaren. Je vult het plaatje in met een kenmerk links en rechts, en noemt het lekker-bij-de-tijds neo. Het laat je ook toe om te beschuldigen, zonder je te moeten verantwoorden. Integendeel, je gaat voorbij aan het ordinaire gescheld: ‘nationalisme’ is een scheldwoord, ‘neonationalisme’ de woordenschat van wie erover nagedacht heeft.

Maar, eigenlijk moeten we beter weten: met ‘neo’ koop je geen geloofwaardigheid of sérieux, integendeel. Wie driemaal in één zin een neobegrip denkt te moeten gebruiken, wekt niet de indruk een ernstig of genuanceerd denker te zijn, enkel een luie.

Ouderlijk gezag

Lees je je kind ’s ochtends de les omdat het een nogal uitgebreid en lawaaierig feestje heeft gebouwd de afgelopen nacht, en noem je het jong, met de glimlach uiteraard, een echt duivelskind, dan komt er toch steeds een fijn stemmetje van je rechterzijde, dat zegt: ‘Ja, maar dan wel mama’s duivelskind!’.

En dit, beste lezer, is hoe moeders het vaderlijk gezag ondermijnen, Freud-nog-aan-toe.